Bosecologie is een tak van de ecologie, wat op zich weer een onderdeel is van de biologie. Bosecologie bestudeert de samenstelling van levensgemeenschappen binnen bossen, de relaties tussen de levende organismen onderling en met de niet-levende omgeving en processen in bossen.
Bossen worden bestudeerd van niveau organisme over levensgemeenschap tot het volledige ecosysteem. Verschillende benaderingen zijn daarbij dus mogelijk. (zie ecologie)
Bosecosystemen behoren tot de terrestrische ecosystemen, de ecosystemen op land. Bossen verschillen van de andere ecosystemen op een aantal vlakken :
1. binnen die groep zijn het de meest driedimensionale ecosystemen. Typisch voor bossen is immers dat ze zijn opgebouwd uit houtachtige gewassen, bomen en struiken, en dus ook een belangrijke hoogte-dimensie hebben in tegenstelling tot graslanden, heides of toendra's.
2. door dat grote volume dat een bos inneemt zijn veel meer structuren mogelijk. Zo heeft een bos, net als andere systemen, een horizontale of mozaiekstructuur. Als je vanuit een vliegtuig naar een (natuurlijk) bos kijkt zie je verschillende kleuren door de verschillende boomsoorten en leeftijden, open plekken, bosranden etc... Het bos verschilt door de verticale structuur, een sterke gelaagdheid. In de meest ideale situatie in oudere bossen is er een moslaag, kruidlaag, struiklaag en boomlaag. Die laatste is opgebouwd uit een onderetage, middenetage en bovenetage (soms ook bovenetage en nevenetage genoemd).
Door die gelaagdheid is de potentiële soortendiversiteit groot, er zijn veel mogelijkheden door de grote diversiteit aan niches.
3. Het volume van het bos zorgt voor een ruimte die gebufferd is van zijn omgeving. In het bos is er minder licht, een hogere luchtvochtigheid en een stabielere temperatuur dan in het open landschap errond. Veel bossoorten zijn aan dat klimaat aangepast, veel bosplanten verdragen geen zonlicht of droge omstandigheden. Zo zijn redelijk wat mossoorten en varens typisch voor bossen.
4. De biomassa van een bos is een veelvoud van andere terrestrische ecosystemen. Zowel de bovengrondse als ondergrondse biomassa kunnen indrukwekkend zijn. Bovengronds is het vooral hout dat dikwijls meer dan 90 % van de biomassa uitmaakt. Sommige bossen zijn ook erg productief, met een jaarlijkse aangroei van meer dan tien ton droge stof per hectare per jaar.
Door de grote biomassa, vooral in de vorm van humus en hout hebben heel wat soorten zich aangepast aan dit specifieke dieet. Hout bestaat uit het redelijk verteerbare cellulose en het schier onverteerbare lignine. Vooral schimmels zijn in staat dat laatste af te breken, waarna andere soorten in het rottende hout kunnen doordringen zoals kevers.