Een bol komt onder andere voor bij tulp en sneeuwklokje. De bol die we het allerbeste kennen is waarschijnlijk de ajuin. Een bol bestaat uit een bolschijf, dit is eigenlijk een verbrede, afgeplatte stengel, en vlezige, opgezwollen bladeren, die we de rokken noemen. In plaats van rokken, kunnen ook schubben voorkomen zoals bij lelie en hyacint.
Een bol helpt de plant om koude en droogte te overleven. De vlezige rokken, afwijkende bladeren, bevatten reservevoedsel. De buitenste, droge rokken bieden bescherming. Het verschil tussen een bol en een knol is de plaats waar het reservevoedsel is opgeslagen. Bij een stengelknol is dit in een afwijkende stengel en bij een wortelknol in een afwijkende wortel, terwijl het reservevoedsel bij een bol in bladeren zit.
Midden op de bolschijf zit een hoofdknop die de toekomstige plant zal vormen. Daarbij wordt het reservevoedsel uit de bol opgebruikt. In de oksel van de rokken komen okselknoppen voor die zich kunnen ontwikkelen tot jonge bollen, die ook wel klisters worden genoemd. Aan de onderzijde van de bolschijf zitten de wortels.