Bodemcompactatie (of ook bodemverdichting of bodemcompactie) is een vorm van bodemdegradatie waarbij de bodemstructuur verloren gaat omdat de bodem wordt samengedrukt. Als gevolg van de hogere dichtheid nemen het bodemleven, de doorlaatbaarheid voor water en lucht en de mogelijkheden voor plantengroei af. Bodemcompactatie heeft veel mogelijke oorzaken maar exploitatiemachines en paarden zijn met voorsprong de belangrijkste. Verder spelen de zwaartekracht (gewicht van de bodem, het bodemvocht en de vegetatie), voetgangers, dieren, vallende bomen en uitgesleepte boomstammen een rol.
Compactatie door zware machines kan tot 1 m diep gaan en meer. De meeste bodemcompactatie beperkt zich echter tot ongeveer de bovenste 30 cm, waar ook de meeste wortels zitten. De graad van verdichting hangt af van de textuur, het vochtgehalte en de bodemdruk van machines.
Het vochtgehalte heeft een aanzienlijke invloed op de vatbaarheid voor compactatie van een bodem. Vochtige klei- en leembodems worden snel gecompacteerd, terwijl droge bodems met een grove textuur minder snel worden gecompacteerd. Gezien de invloed van het bodemvochtgehalte op de bodemsterkte, varieert de bodemsterkte ook grotendeels met de seizoenen. Onder gemiddelde klimaatcondities zal de sterkte van bodems met fijne en middelmatige textuur het laagst zijn in de late lente en de vroege zomer. Bodemsterkte neemt vervolgens toe gedurende de zomer als de bodem uitdroogt, en neemt tenslotte weer af in de herfst. Bevroren bodems zijn extreem bestendig tegen partikelbeweging. Een sneeuwbedekking kan de onderliggende bodem beschermen tegen compacterende krachten, maar kan door isolatie ook verhinderen dat de bodem bevriest. In de Vlaamse bossen vriest het echter niet lang en hard genoeg om een voldoende dikke bevroren bodemlaag te verzekeren: enkele dagen vorst doet de bodem van een bospad weliswaar bevriezen, maar heeft nog geen invloed op de bosbodem onder een isolerende strooisellaag.
Op plaatsen waar de bodem is gecompacteerd, vestigt zich een typische 'tredvegetatie'. Dit zijn planten die aangepast zijn aan verstoorde en verdichte bodems met een ongunstige lucht- en waterhuishouding. Voorbeelden van soorten zijn pitrus (Juncus effusus), ijle zegge (Carex remota), klein springzaad (Impatiens parviflora) en waterpeper (Polygonum hydropiper). De aanpassingen van deze plantensoorten zijn o.a. een ondiep wortelstelsel dat actief blijft in relatief zuurstofarme milieucondities. Deze vestiging van niet-bosplanten is meestal ongewenst. Hierbij kan de beheerder niet ingrijpen, tenzij door bodemschade te vermijden.
Door lichtere oogstmachines te gebruiken, de bandendruk te verminderen, takkenmatten te plaatsen en te exploiteren in de winter op bevroren ondergrond kan bodemcompactatie worden verminderd. Bovendien moet men erop letten om niet met zware machines te exploiteren op vochtige tot natte lemige bodems - met typische soorten als slanke zegge (Carex strigosa), wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta) en slanke sleutelbloem (Primula elatior) - want die bodems zijn gevoeliger dan droge bodems.
Het gebruik van paarden om gevelde bomen uit het bos te slepen is ook een manier om bodemcompactatie te verminderen. Hoewel het gewicht van een paard (ongeveer 800 kg) verwaarloosbaar is ten opzichte van het gewicht van machines (10 tot 40 ton), is de druk die door een paard op de bodem wordt uitgeoefend tamelijk hoog (ongeveer 2 kg per cm²) en vergelijkbaar met de druk die sommige machines uitoefenen, omdat het contactoppervlak met de bosbodem zo klein is. Maar doordat dit contactoppervlak zo klein is, is de algemen impact op de bosbodem zeer klein.
Minstens 80 % van de bodemverdichting treedt al op bij de eerste passage van een exploitatiemachine, zodat het verminderen van de doortochtfrequentie helemaal niet volstaat om bodemverdichting te vermijden. Men zegt dan ook wel eens dat je beter 100 keer kan voorbijkomen op 1 plaats, dan 1 keer op 100 plaatsen. Telkens een andere weg gebruiken bij de exploitatie om zo bodemcompactatie te beperken, leidt dus net tot een verergering van het probleem. Daarom wordt met de machines het best steeds dezelfde weg gevolgd. Een bos opdelen in zones die vanop vaste wegen kunnen worden geëxploiteerd, biedt daarom zeker voordelen: bodemschade blijft beperkt, weinig schade aan (toekomst)bomen en makkelijk werken. Maar er zijn ook nadelen: een deel van de bosoppervlakte is door het regelmatig berijden waardeloos, de exploitatiewegen geven het bos een onnatuurlijk uitzicht, niet-bossoorten kunnen er zich vestigen en bomen aan de rand van wegen hebben minder beschutting.
Het concentreren van effecten en het gebruik van vaste ruimingspistes in combinatie met kabels kan ook een oplossing zijn. Uit onderzoek is gebleken dat op plaatsen waar men boomstammen versleept met een kabel de vegetatiesamenstelling minder verandert dan op de plaatsen met machineverkeer, o.a. omdat de bodem er minder verdicht is, ongeacht het tijdstip van exploitatie.