Vanaf dat de mens begon te reizen, zijn er overal ter wereld soorten uitgewisseld. Zo werd bijv. de aardappel ingevoerd vanuit Zuid-Amerika. Ook boomsoorten werden verspreid over de verschillende continenten. Soorten die niet van nature bij ons voorkomen noemt men exoten. Maar er zijn ook inheemse exemplaren die eigenlijk niet in ons bosecosysteem thuis horen. Ze behoren wel tot dezelfde soort maar werden vanuit andere gebieden ingevoerd. Hierdoor hebben ze andere genetische eigenschappen dan de autochtone. De autochtone populaties zijn degene die hier al eeuwenlang voorkomen en zich volledig hebben aangepast aan de lokale omstandigheden.
Een soort is inheems wanneer hij van nature binnen de grenzen van een land voorkomt. Bijv. wanneer je een kaart van België en van het gebied waarin de Zomereik van nature voorkomt (= het natuurlijk verspreidingsgebied) over elkaar zou leggen, zouden de twee gebieden met elkaar overlappen. De Zomereik is dus inheems.
Maar de Zomereik die België voorkomt heeft niet dezelfde genetische eigenschappen als de Zomereik die in Oost-Europa voorkomt. Sommige bomen van Oost-Europa hadden bijv. een rechtere stam of het zaad kon goedkoop geoogst worden. De zaadjes van die bomen werden daarom naar hier ingevoerd. Men hoopte dat de bomen hier net zo goed of zelfs beter (door een gunstiger klimaat) zouden groeien. Hierdoor komen er in België Zomereiken voor die eigenlijk niet autochtoon zijn.
Populaties van autochtone boomsoorten zijn al sinds de laatste ijstijd hier spontaan aanwezig, en hebben zich steeds natuurlijk verjongd (= er worden zaadjes of jonge boompjes gevormd zonder tussenkomst van de mens). Als de verjonging kunstmatig gebeurde (bijv. als de mens bomen aanplantte) werden enkel bomen gebruikt die uit de streek afkomstig waren.

Van sleedoorns is er veel zaad ingevoerd uit het zuiden en oosten van Europa, met als gevolg dat de bloeitijden met de inheemse soorten sterk kunnen verschillen.
Autochtone boomsoorten zijn perfect geïntegreerd in het lokale bosecosysteem (Bijv. sleedoorn is inheems in Vlaanderen maar vaak is er ook sleedoorn afkomstig uit Oost-Europa aangeplant. De autochtone sleedoorn bloeit echter enkele weken later dan de ingevoerde sleedoorn. De insecten van hier hebben zich doorheen de eeuwen aangepast aan die late bloei en komen enkele weken later uit het ei. Als er hier alleen maar ingevoerde sleedoorn zou staan, zouden de insecten de bloei missen en omkomen van de honger).
Dit voorbeeld toont aan dat het behoud van autochtone soorten erg belangrijk is. Het verlies van autochtone soorten zou nadelig zijn voor tientallen soorten (verlies van biodiversiteit). De laatste jaren wordt daarom zaad geoogst van autochtone bomen en struiken. De bosverjonging gebeurt het best met de boompjes die uit dat zaad opgroeien.
Maes, B. (2006). Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Boom, Amsterdam, 376pp.