Als zaden door de wind worden verspreid wordt dat anemochorie genoemd. Zaden kunnen daar speciaal aan aangepast zijn bijvoorbeeld door het heel kleine formaat of door pluis of vleugeltjes.
Zaden die door de wind worden verspreid komen op nogal onverwachte en meestal ongeschikte plaatsen terecht. Een eerste aanpassing die een plant dus moet doen om zijn zaden met de wind te verspreiden is het aanmaken van zeer veel zaad.
De zaden zelf zijn meestal aangepast door een laag gewicht, eventueel gecombineerd met pluis of vleugels.
Een aantal plantensoorten produceren stofzaden, die zijn zo klein dat ze al bijna vanzelf blijven zweven. Het nadeel is dat er erg weinig voedsel in kan worden opgeslagen, en dat de zaden dus in een ideale omgeving moeten terechtkomen. Orchideeënzaad kan ook pas kiemen als er bepaalde, van soort tot soort verschillende, schimmels aanwezig zijn.
Sommige zaden zijn bedekt met haren in de vorm van pluis (distels, wilgen), parapluutjes zoals een groot aantal composieten (paardebloem, leeuweklauw, biggenkruid,..), donsachtige structuren (bosrank).
Daarnaast komen er kleine flapjes voor zoals bij berk of zelfs grotere vleugels zoals esdoorn (de gekende helikoptertjes) of es.
Tenslotte kunnen zaden of zelfs plantendelen met zaden door de wind over de grond worden voortbewogen. Dit zou het geval zijn voor de zeeraket.