Een gen zorgt voor (een deel van) een bepaald kenmerk, zoals haar- of oogkleur. Elk kenmerk heeft verschillende uitingsvormen. Oogkleur van bijvoorbeeld blauw of bruin zijn. Zo'n uitingsvorm noemt men een 'allel'.
Bij soorten die zich geslachtelijk voortplanten, heeft elk individu voor elk gen (elk kenmerk) twee allelen (twee uitingsvormen) in zich, namelijk één van elke ouder. Zijn de allelen gelijk, dan zegt men dat het individu voor dat kenmerk 'homozygoot' is. Dat doet zich voor als bijvoorbeeld een kind van beide ouders de eigenschap 'blauwe ogen' heeft meegekregen.
Is dat niet het geval, dan is het individu 'heterozygoot' voor een bepaald kenmerk.
Als een individu homozygoot is voor een bepaald kenmerk, zal dat kenmerk doorgaans ook tot uiting komen. Het kind uit het vorige voorbeeld zal dan effectief blauwe ogen hebben. Er zijn echter kenmerken waarbij omgevingsfactoren ook en rol spelen. Zo kan iemand homozygoot zijn voor het kenmerk 'vetzucht', maar door voedselschaarste toch niet dik worden.
Als een individu heterozygoot is voor een bepaald kenmerk, zijn er verschillende mogelijkheden. Een van de allelen kan dominant zijn en zal dan tot uiting komen. Het allel dat niet tot uiting komt, noemt men dan recessief. Zo is voor het gen 'oogkleur' het allel 'bruin' dominant en 'blauw' recessief. Mensen die die beide allelen bezitten, zullen dus in de regel bruine ogen hebben. Twee allelen kunnen ook co-dominant zijn, en de drager zal dan eigenschappen van beide allelen bezitten. Zo kunnen sommige gisten zowel fructose als glucose (twee suikers) als voedselbron gebruiken, terwijl andere individuen slechts één van beide kunnen verteren. Tenslotte kunnen twee allelen ook onvolledig dominant zijn. De drager van dergelijk allelen zal dan een uitingsvorm hebben die ergens tussen de twee ligt. Een voorbeeld hiervan zijn planten met een allel 'rode bloemen' en een allel 'witte bloemen', die uiteindelijk roze bloemen hebben.